11 november 2016

Yes, many loved before us, I know that we are not new
In city and in forest, they smiled like me and you
But now it’s come to distances and both of us must try
Your eyes are soft with sorrow
Hey, that’s no way to say goodbye

I’m not looking for another as I wander in my time
Walk me to the corner, our steps will always rhyme
You know my love goes with you as your love stays with me
It’s just the way it changes like the shoreline and the sea
But let’s not talk of love or chains and things we can’t untie
Your eyes are soft with sorrow
Hey, that’s no way to say goodbye

Leonard Cohen

fullsizeoutput_9e2

Pas op: een huis!

3 juni 2016

Het werd me in de schoot geworpen … zes weken lang ‘oppassen’ op een huis in de Dordogne. Gisterochtend heel vroeg ben ik uit Amsterdam weggereden. De eerste honderden kilometers gingen voorspoedig al werd het weer slechter naarmate ik meer zuidwaarts ging. Voor Parijs regende het al en de temperatuur wees een voor de tijd van het jaar schamele 10 graden aan. Onderweg werd ik door Corrie en Ron (eigenaren van een B&B in Moutier-Malcard (Creuse Limousin) waar ik die avond weer eens zou overnachten, en waar ik graag een stukje reclame voor maak: http://www.veilouqueri.com/nederland/index.htm) gewaarschuwd voor de afsluiting van snelweg vanaf Orleans verder naar het zuiden. De regen van de laatste dagen zorgde voor een enorme wateroverlast en grote delen van de snelweg stonden onder water. In Parijs stond het water van de Seine op een historisch hoogtepunt en rond de stad waren diverse afritten van de rondweg afgesloten. Dat betekende een nog grotere drukte dan normaal op die weg. De 35 kilometer die de ring lang is nam behoorlijk wat tijd en het slechte weer maakte het er niet aangenamer op. De uitlaatgassen in de tunnels en het slechte zicht door opspattend water veranderden echter de rijstijl van de Parijzenaars niet merkbaar. Ik was echt heel opgelucht dat ik Parijs achter me kon laten.

Het navigatiesysteem in de auto is nog niet zo slim dat ‘zij’ zonder mijn hulp een andere route kan berekenen. Nadat ik, al ver voor Orleans op het punt was gekomen dat de snelweg was gesloten en alle verkeer via andere routes werd geleid, bedacht ik dat ik maar het best de ‘binnenwegen’ kon gaan volgen naar Orleans. Ik kon nergens informatie krijgen over vanaf welk punt de snelweg eventueel wel weer berijdbaar was. De afsluiting was heel goed op de binnenwegen te merken doordat het op die route ontzettend druk was. Ik zag op plekken enorme plassen water en op een iets lager gelegen parkeerplaats een paar auto’s die tot aan de portierraampjes in het water stonden. Tot op dat moment was het nieuws over de wateroverlast, waarover ik in de krant gelezen had, een bericht temidden van ander nieuws geweest. Maar nu ik die taferelen zag drong het tot me door wat de gevolgen zijn van het buiten de oevers treden van de grote rivieren.

De gok om ‘binnendoor’ naar Orleans te rijden pakte gelukkig goed uit. Ergens na drie uur zat ik bij Corrie en Ron in de keuken aan de koffie. Het regende nog steeds en het was kil. De wijn bij het diner ’s avonds maakte me nog eens extra attent op het vroege opstaan van die ochtend en om half tien lag ik in bed.

Vanochtend na het ontbijt ben ik op pad gegaan voor het laatste deel van de reis naar La Courdie. Toch nog een kleine 300 kilometer na de, inclusief omrijden, 900 kilometer van gisteren. Rond half twee was ik er dan eindelijk. Direct maar begonnen met het controleren van het water in het zwembad. Na het uitladen van de auto, bagage voor twee voor vier tot zes weken, naar Vergt gereden om boodschappen te doen om bij terugkomst te constateren dat ik best wel het een en ander was vergeten te kopen. Morgen verder. Omdat het hier, 300 kilometer zuidelijker dan gisteren, beduidend beter weer was ben ik in de tuin gaan zitten met een boek en heb een poos zitten lezen.

Vanavond naar Sainte Alvere (822 inwoners) gereden om te eten. Bij Le P’tit Factory, dat me door de eigenaren van dit huis was aangeraden. Het restaurantje heeft een heerlijk terras. De ondergaande zon, de zwaluwen, het luiden van de kerkklok, het heerlijke eten en de van binnen aanwaaiende klanken van het Adagietto uit Symfonie nr 5 van Mahler (uit de film ‘Death in Venice’) maakten dat ik het gevoel kreeg dat ik zou kunnen huilen van geluk.

Een paar tafels verderop zat ook een man alleen te eten. Hij had een hoed op en zag er, gekleed in een trui, een donkerrode broek en blote voeten in lichtblauwe crocs gestoken, ‘anders’ uit dan de andere mensen op het terras. Hij las in ‘Paris Match’. Als de eigenaresse van het restaurant aan zijn tafel stond om de bestelling op te nemen of te brengen sprak hij tegen haar, en sprak, lezend in zijn blad, gewoon verder als de vrouw al weggelopen was. Bijna huilen van geluk en dan zo iemand in je blikveld. Dan heeft het leven het toch goed met je voor dacht ik.

9 oktober 2015

In het bed lag een wit hoopje mens in foetushouding. De open mond was een aanwijzing voor de strijd en de pijn van niet langer dan een half uur daarvoor. De oogleden, niet helemaal gesloten, toonden oogwit met een ragdun randje van pupillen die niets meer zagen. Deze dag was de 462ste sinds ze weg moest van huis en de zorg om en voor haar begon. De dagen tussen deze dag en die van het afscheid kwamen en gingen in een aaneenschakeling van rituelen.

Vandaag, alweer 15 dagen verder, dringt het tot me door dat ik, telkens als ik denk aan haar, moeite moet doen om te bevatten dat het frêle lijfje van nog maar 39 kilo dat ik op dag 462 zag, ooit het kleine, drukke, opgewekte vrouwtje was dat met haar aanwezigheid een heel huis kon vullen. Dat het zij is die er niet meer is in plaats van dat mensje in die rolstoel, dat kwetsbare hoofdje, met de vrijwel altijd gesloten ogen, voortdurend naar rechtsonder hangend. Soms even met een broze glimlach bij herkenning van een gezicht, een woord, een aanraking. Soms ook plotseling even heel helder en dan weer heel ver weg, tot schrik van haar buren soms kwartieren lang angstig schreeuwend. Ver weg ook dan van die vrouw met dat opgewekte karakter die zomaar met iedereen een gesprek kon aanknopen. De vrouw die zoveel vrienden en kennissen had en zo vaak theaters bezocht. Met een dienstbaar karakter dat ze moeiteloos kon combineren met een bewonderenswaardige onverzettelijkheid. Het was ook in die eigenschappen dat haar machteloosheid zich toonde. Boos als ze kon zijn wanneer ze zich realiseerde dat ze degenen die haar bezochten niet meer tegemoet kon treden met de gastvrijheid en de opgewektheid die haar eigen was. Nooit een dag zonder bezoek was ze en dat was tegelijk heerlijk en frustrerend. Hoe vaak er ook werd verzekerd door iedereen dat er veel begrip was voor haar situatie. Dienstbaar en onverzettelijk. Trouw aan allen.

Ze heeft zich om mij bekommerd. Vanaf mijn 11de jaar heeft ze mij, kind van haar jongste broer, meegenomen, naar theaters, uit eten. Ze luisterde naar ‘mijn’ muziek. De band die we hadden was sterk. In mooie, maar ook in zwartgerande tijden. Praten. Altijd maar praten. We zagen elkaar vaak en er was heel veel lichtheid en vrolijkheid. Ik ben haar zo dankbaar voor wat ze voor mij heeft betekend. Dat ze de tijd voor mij heeft genomen en de wil heeft gehad om er altijd te zijn. Later, toen haar geheugen al wat minder werd, kon ik soms uit wat ze zei opmaken dat ze dacht met haar broer te spreken. Het voelde dan goed om zo dichtbij te kunnen zijn en de veiligheid te kunnen bieden die ze nodig had. Het vertrouwen dat er tussen ons was te voelen.

Het kost moeite om dat beeld in gedachten te laten samensmelten met het het laatste dat ik van haar zag. De warmte van het laatste afscheid is een bijdrage aan het gevoel dat het zo goed is. Aan alles komt een begin. Dit is het begin van een tijd waarin ik haar ga missen. En het beeld van haar zal samensmelten met dat andere beeld.

14 september 2015

Without a lot of ambition left
I let my nature flow where it will.
There are ten days of rice in my bag
And, by the hearth, a bundle of firewood.
Who prattles of illusion or nirvana?
Forgetting the equal dusts of name and fortune,
Listening to the night rain on the roof of my hut,
I sit at ease, both legs stretched out.

‘Zen Fool’ Ryokan, (1757 – 1831)

IMG_3861